Ik val niet uit zijn hand, maar ben ik wel geroepen?

Gedachten over liederen

Het blog over het Onze Vader heeft wel wat losgemaakt. Via Instagram heb ik bijvoorbeeld een leuk gesprek gehad met iemand die zich afvroeg of we de Vader wel Onze Vader mogen noemen. Een vraag die voor mij persoonlijk heel onbekend is. Want, als Jezus dit ons zelf leert, wie ben ik dan om het niet te doen? Ik geloof: ik val niet uit zijn hand.

Ja natuurlijk ben ik niet één van de discipelen. Maar die discipelen waren ook geen discipelen voordat Jezus hen riep. En dat levert natuurlijk weer de vraag op: zij waren tenminste geroepen, ben jij ook geroepen?

Geloven is natuurlijk

Ik geloof dat God de wereld geschapen heeft omdat Hij met mensen op wilde trekken. We zijn geschapen voor een paradijs, een leven met God. En ieder pijntje dat we voelen herinnert ons eraan dat we nu niet in het paradijs zijn. Ons lichaam en onze ziel zijn geschapen voor een perfecte wereld. Een wereld waarin we samen met God konden optrekken. Door onze eigen twijfel aan de betrouwbaarheid van God. Als Eva de slang direct terecht gewezen had, dan hadden we nog in het paradijs geleefd.

Geloven in God is tegennatuurlijk zeggen veel mensen. Ik geloof daar helemaal niets van. Ik denk dat het leven met God juist is zoals bij onze natuur hoort. We zijn geschapen voor een wereld met God. Daarom hoor je in veel bekeringsverhalen ook dat mensen zich ineens ‘thuis’ voelen. Mensen voelen zich compleet worden als ze in Jezus gaan geloven.

In de hele bijbel kan je lezen hoe God op weg is met zijn volk. Het meest beeldend is de woestijnreis waar God steeds de weg wees en het volk toch steeds geen mopperen en er eigenlijk vandoor wilde gaan. En zo ging het steeds weer: God wijst de weg maar het volk loopt niet erg mee. Soms gaat het een poos goed en dan weer helemaal fout. Omdat de afstand tussen God en de mensen te groot was.

Volg mij

En toen riep Jezus een paar van die mensen om Hem te volgen: jou, jou en jou heb ik nodig. Volg mij. En zij werden wegwijs gemaakt in het Koninkrijk van God. Ze begrepen het soms, zagen mooie dingen maar plaatsten ze zelden in het perspectief van Gods koninkrijk.

En die discipelen merkten vast wel dat Jezus een bijzondere band met zijn Vader had en dat Hij alles van Hem verwachtte. “Leer ons bidden”. Dus ze wisten ondanks al hun onbegrip ook weer wél dat Jezus de Zoon van God was waarschijnlijk. Als je het blog over het Onze Vader nog niet gelezen had zou je dat hier kunnen doen.

Volg mij, blijf maar dicht bij mij. Adam en Eva kregen meer vrijheid: Hier dit is de tuin, dit zijn de dieren, dit is het alles wat groeit en bloeit. Zorg er voor en geniet er van. Maar van die twee bomen in het midden van de tuin, daar moet je van afblijven. Oké? Zij konden het niet aan zo op eigen houtje de tuin in, want de twijfel sloeg toe toen de satan hen aansprak. Daarom discipelen, volg mij maar. Loop een poos achter mij aan zodat je kunt zien hoe je kunt leven in deze verloren wereld. Wij brengen het Koninkrijk van God op deze aarde.

Ik val niet uit zijn hand

Vanochtend zongen we in onze kerkdienst psalm 16 van Psalmen voor Nu. En toen dacht ik: wat een tegenstelling! De één weet zo zeker dat hij niet uit Gods hand zal vallen. En de ander durft Hem amper Vader te noemen! De één komt naar God toe juist omdat Hij dan veilig is en hij niet in verleiding komt. De ander rent bij Hem weg omdat hij niet weet of hij wel berouw genoeg heeft over zijn zonde en of hij zijn ellende wel voldoende kent. Het lied kan je onderin dit blog ook luisteren.

Mijn God, ik kom naar u. Dan ben ik veilig;
ik heb het u gezegd, en blijf het zeggen:
ik heb u nodig, Heer. De rest is overbodig.

De mensen hebben andere idolen
en wringen zich voor hen in honderd bochten,
maar dat zal ik nooit doen. En zelfs hun naam niet noemen.

Mijn God, u vult mijn bord. U vult mijn beker:
u hebt iets moois bedacht, en straks is het van mij.
U houdt mijn hele leven in uw handen
en ik kom goed terecht, want dat hebt u gezegd.

De hele nacht lig ik aan God te denken;
Ik voel dat hij er is. Zijn wijsheid geeft me rust.
Dan word ik blij, en zeker van mijn redding:
ik leef, ik leef naast God. Ik val niet uit zijn hand.

Want u zult mij niet zomaar laten sterven;
ik hoef niet naar het graf. Want u laat mij niet los.
U wilt mij leren waar ik het moet zoeken:
heel dicht bij u, mijn God, zal ik gelukkig zijn.

Je mag best eens vallen, ik heb je toch geroepen

Waarom zou je in God geloven als je twijfels moet zetten bij alles wat in de bijbel staat: “Wees niet bang, ik heb je bij je naam geroepen” (Jesaja 43:1). Ja, wie zegt dat dat over mij gaat? “Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen” (Johannes 3:36).  Wie zegt dat ik het echt wil? Wie kan weten of ik het echt wil? Hoe weet ik of ik de Zoon wil gehoorzamen? En ik gehoorzaam heel vaak niet, hoe zwaar telt dat?

Ja zo blijf je aan de gang. De hele Bijbel is één groot verhaal van een God die toenadering zoekt tot mensen die afstand genomen hebben. Jezus zegt zelfs: Al zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren zoon gegeven heeft. (Johannes 3:16). De hele wereld, kom maar eens onder zijn liefde uit!

Maar dat gehoorzamen is wel belangrijk! Het is wel de bedoeling dat je gaat leven met God en gaat doen wat zijn wil is. En je valt niet zomaar uit Gods hand!

U die Hem Vader noemt

Terwijl ik dit stuk aan het schrijven was liep ik wat rond en sloeg ik de bijbel open. Ik kwam eerst bij psalm 100. En daarna bij 1 Petrus 1:17 waar staat:

“En aangezien u hem die iedereen beoordeelt naar zijn daden, zonder aanzien des persoons, Vader noemt, moet u tijdens uw leven als vreemdeling ook ontzag voor hem hebben”.

Al die christenen die Petrus daar aanspreekt zijn geheiligd staat in de volgende verzen en toch roept Petrus hen tegelijk op om waakzaam te blijven en te blijven gehoorzamen. Gewoon zoals je als kind let op de mores die je zijn aangereikt. Je probeert je te voegen naar de sfeer en regels van het huis waar je woont. En hij zegt niet: stop eens even met God je Vader te noemen. Zorg eerst maar eens dat een vette vrucht van de Geest uit je groeit.

En dan psalm 100, die viel mij op omdat in één van de gesprekken zo naar voren kwam dat je je bewust moet zijn van je ellende en dat de smeekbeden zo aanwezig zijn. Mijn idee is dat danken en smeken vaak gelijk op gaan in de Bijbel. Een psalmdichter zingt op momenten dat het lied werd ingegeven en het dus past in zijn leven. Dus soms vanuit het donker, soms in het licht.

Psalm 100 dan:

“Juicht de Heer toe, heel de aarde! Dien de heer met vreugde! Kom tot hem met jubelzang! Erken het: de Heer is God, hij heeft ons gemaakt, hem behoren we toe.”(Psalm 100)

Waarschijnlijk is het David die dit schreef. Dus dat was een man die af en toe erg gelovig en gehoorzaam was. Maar ook regelmatig heel fout was en helemaal niet zo’n goede vader bijvoorbeeld. En toch had God hem uitgekozen toen hij nog een jonge man was. Ver voordat Jezus op aarde kwam, voor Golgotha ver voordat de Heilige Geest werd uitgestort. Toen al mocht dit.

En hier kan je het lied nog even luisteren. De intro is niet zo denderend op deze opname.

Vertel het een ander!
Chiel

Vader, echtgenoot, christen, blogger, tekstschrijver, freelance leerlingbegeleider, enzovoort.